Het afgelopen jaar werd ook voor het eerst het wetgevend kader inzake « cash-for-car » en mobiliteitsbudget getoetst. Meer en meer ondernemingen stellen zich de vraag hoe ze met deze nieuwe wetgeving moeten omgaan.

Recente evoluties in de Belgische fiscaliteit

Het nieuwe fiscaal regime inzake fiscale aftrekbaarheid van autokosten, dat door de regering Michel werd vormgegeven, geldt niet enkel voor bedrijven, maar ook voor zelfstandigen (particulieren). De wetgeving treedt in werking vanaf 1 januari 2020 voor elk voertuig dat vanaf 1 januari 2018 wordt gekocht of besteld. De fiscale aftrekbaarheid is afhankelijk van de CO2-uitstoot alsook de brandstofsoort van het betreffende voertuig (diesel wordt benadeeld ten opzichte van benzine).

In de praktijk zal een algemene daling te merken zijn van de fiscale aftrekbaarheid van autokosten ten opzichte van het oude regime. De negatieve gevolgen voor de belastingbetaler kunnen echter worden beperkt door te kiezen voor voertuigen met een lagere CO2 – uitstoot.

WLTP-normen: de fiscale impact

Vanaf 1 januari 2021 wordt de CO2-uitstoot, die als basis dient voor de berekening van een hele reeks belastingen (Ven.B., PB, Vlaamse gewestbelasting, etc.), bepaald volgens de WLTP-test in plaats van de NEDC-test (2.0), die geldig blijft tot 31 december 2020.

Zoals FEBIAC al aangaf, ligt de CO2-uitstoot van WLTP gemiddeld 20% hoger dan de vroegere NEDC-uitstoot.

Bij gebrek aan een wetswijziging zal de nieuwe « WLTP CO2-uitstoot » bijgevolg automatisch een algemene verhoging inhouden voor alle belastingen die van deze uitstoot afhankelijk zijn (voordeel alle aard, fiscale aftrekbaarheid, enz.).

Cash-for-car: de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof

Met de mobiliteitsvergoeding, beter bekend als « cash-for-car », werd een poging ondernomen om de Belgisch mobiliteitsknoop te ontwarren. Evenwel werd na een eerder hobbelig politiek en juridisch parcours, van nog geen twee jaar, op 23 januari 2020 door het Grondwettelijk Hof beslist om het wetgevend kader rond de mobiliteitsvergoeding te vernietigen.

Door het langs zich neerleggen van verscheidene commentaren, al voor de inwerkingtreding, heeft de wetgever de teloorgang van de mobiliteitsvergoeding zelf ingeleid. Het Hof oordeelde namelijk, in lijn met die commentaren, dat een onrechtmatig (para)fiscaal onderscheid wordt gemaakt in behandeling van in geld verkregen bezoldigingen. Het amper belasten van een cash mobiliteitsvergoeding terwijl een gewone loonsverhoging zwaar wordt belast, is discriminatie en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Een euro is en blijft een euro.

Wat volgt, is nog niet uitgeklaard, zowel voor wat betreft de wetgeving alsook voor de mensen die zijn ingestapt in de regeling.

De wetgeving blijft van kracht tot 31 december 2020. Daarna moet worden gezocht naar andere alternatieven.

Het Hof schuift het mobiliteitsbudget daarbij expliciet naar voor. Een reparatie van de wetgeving is eveneens mogelijk, maar allerminst evident gezien de fundamentele bezwaren van het Hof en een regering in lopende zaken.

Mobiliteitsbudget: het alternatief voor cash-for-car?

Daar waar de mobiliteitsvergoeding een alles-of-niets verhaal is, zet het mobiliteitsbudget in op multimodaliteit. Zo wordt een budget ter beschikking gesteld om, met grote keuzevrijheid, andere duurzame vervoersmodi te bekostigen. Niet enkel de trein of fiets, maar ook een minder vervuilende bedrijfswagen of een combinatie behoort tot de mogelijkheden. Een stap in de juiste richting.

Desalniettemin blijkt in de praktijk ook het mobiliteitsbudget binnen haar zeer strikt wettelijk kader weinig populair. Er is een breder draagvlak, maar het blijft moeilijk om bestaande regelingen in het keurslijf te passen.

Daarnaast bestaat, na de vernietiging van de mobiliteitsvergoeding, verdeeldheid over de toekomst van het mobiliteitsbudget. Hoewel het Hof het mobiliteitsbudget naar voorschuift als alternatief, bestaan enkele bedenkelijke overlappen tussen de twee regelingen. De toekomst zal uitwijzen of dat ook inderdaad zo is.

Conclusie

Binnen het huidig wettelijk kader zijn wij van mening dat de belastingbetaler die op zoek is naar het fiscaal meest gunstige regime, moet kiezen voor een voertuig met een zo laag mogelijke CO2-uitstoot (hybride of elektrisch), natuurlijk steeds rekening houdende met de praktische invulling van het voertuig. Op het vlak van het wetgevend kader rond cash-for-car en mobiliteitsbudget dringt zich een versoepeling van het wetgevend kader op. Wat betreft cash-for-car is dit pure noodzaak na het arrest van het grondwettelijk hof. Wat betreft mobiliteitsbudget is het aangewezen om de toepassingsmogelijkheden te verhogen, zodat meer ondernemingen kunnen toetreden en het succes van de regeling wordt veiliggesteld.

Frank Vancamp / Arnaud De Splenter / Tom Ieven (KPMG)